Rob van Essen: vergeefse vaderzoektocht

Het genre van de dagboeken is een vreemde eend in de literaire bijt. Vaak is een dagboek geen literatuur, en vaak is een literair dagboek geen echt dagboek meer vanwege de vele ingrepen achteraf. Om maar te zwijgen van de problemen waarin een dagboekschrijver komt omdat hij zijn toekomstige lezers niet kan of wil wegdenken.  Desondanks blijven we van tijd tot tijd voorzien worden van literaire dagboeken, soms actueel, soms van decennia of eeuwen terug.

Sinds ik kennismaakte met het Geheim dagboek van Hans Warren lees ik vaak en graag dagboeken. De Journaals van Julien Green, Van de hand in de tand van Paul Auster (hoewel strikt genomen geen dagboek maar een levensverhaal), de dagboeken van K.H. Miskotte die opgenomen zijn in zijn Verzameld Werk. Ook het ‘zomerdagboek’ van Willem Jan Otten uit 2002, getiteld De bedoeling van verbeelding, vind ik de moeite waard. Hoewel ik zijn gedachten, bijvoorbeeld over Czeslaw Milosz, lang niet altijd kan volgen vanwege het particuliere karakter ervan.

Maar waarom kun je zo geboeid zijn door het eb en vloed van iemands dagelijkse notities? Is het dezelfde vorm van nieuwsgierigheid die de tv-kijkers massaal deed kijken naar Geer en Goor? Het dagboek als real life soap avant la lettre? Ongetwijfeld zit er een element van voyeurisme in deze fascinatie. Tegelijkertijd ben ik zo vrij om te denken dat dit een hogere vorm van vermaak is dan Joling en Gordon over de vloer. Want een goede dagboekschrijver verstaat de kunst om  iets alledaags op te schrijven op een manier die het onvergetelijk maakt.

Dagboek over zoon en vader

Voor me ligt Het jaar waarin mijn vader stierf van Rob van Essen (1963), een dagboek dat in deze opzet zeker is geslaagd. Het tijdskader is losjes: alleen de maanden januari tot december zijn vermeld. Dit gaat echter niet ten koste van het gevoel van chronologie. In stukjes variërend van een enkele regel tot anderhalve bladzijde maakt Van Essen de lezer deelgenoot van het jaar dat zijn vaders laatste zou zijn. Daarnaast leren we Rob van Essen kennen als een verlegen persoon, niet buitengewoon succesvol als schrijver, afhankelijk van Prozac, die regelmatig fietstochtjes maakt vanuit Amsterdam naar Ouderkerk a/d Amstel en die de zomer nolens volens doorbrengt in een inderhaast geregelde caravan op een Brabantse ‘kunstcamping’. Als writer in resicence, noteert hij met enige zelfspot. Ook dit medium heeft zich een plaats verworven in het dagboek, als de schrijver verslag doet van een telefoontje van een Liter-redactrice met een verzoek om een stuk te schrijven over de uitvoering van het toneelstuk ‘Waanzee’ naar de roman van Robert Haasnoot.

Toch zijn het de terugkerende berichten over de aftakeling van zijn vader die het boek voorzien van een duidelijk chronologisch verloop. Nadat de vader half oktober overleden is, volgen nog de maanden november en december. Die bungelen er een beetje bij. Dat kan het snuffelen van de schrijver in het archief van zijn vader niet maskeren.

Kwade dagen

Rob van Essen veroorzaakte met zijn eerdere roman Kwade dagen (2002) enige deining in christelijke kring. Wéér een romancier die afstand genomen heeft van zijn bevindelijk-gereformeerde opvoeding, maar niet genoeg om nog eens flink uit te halen? Zo was het niet bedoeld, bezwoer Van Essen in een interview met Tjerk de Reus, dat in 2002 verscheen in het Reformatorisch Dagblad. De christelijke opvoeding was slechts gebruikt als décor voor het boek en rancuneus wilde hij zeker niet zijn.

In hetzelfde interview wordt ook G. van Essen, de vader van Rob van Essen aan het woord gelaten. Deze Van Essen senior publiceerde diverse boeken, waarvan Het hol op de hei  wel het bekendste is. Gevraagd naar een oordeel over het boek van zijn zoon antwoordt hij dat hij zich wel in thema’s herkent, maar dat hij zich vooral stoort aan de seksuele handelingen die in het boek voorkomen.

Een flat character

In Het jaar waarin mijn vader stierf blijkt hoezeer Rob van Essen geraakt was door dit oordeel van zijn vader. Het hele dagboek ademt een oprechte behoefte om erachter te komen wie deze in de gereformeerde wereld gerespecteerde schrijver nu echt was. Daar komt de schrijver niet achter. Althans, hij ziet zijn beeld bevestigd dat zijn vader een flat character was zoals de personages in Het hol op de hei. Er is daarnaast meer onbegrip over de merkwaardige levensgang van deze G. van Essen, die opgroeide in de gereformeerde gemeente in Leiden, maar ook een uitstapje van enkele jaren naar de socialisten maakte om uiteindelijk weer bij de kerk terug te keren. Ook het regelmatige verhuizen van de familie blijft voor zoon Rob een onopgehelderd raadsel.

Ontroerende zorg

Geplaatst naast dit onbegrip en de kloof tussen de werelden van Rob en zijn ouders is zijn grote trouw en de zorg die hij aan zijn vader besteedt ontroerend. Het grafische karakter van de bespiegelingen van de schrijver over de toiletgang van zijn vader doen weliswaar onaangenaam aan, maar zijn tegelijk een poging van de schrijver om in zichzelf te peilen hoe hij werkelijk denkt over de aftakeling van zijn vader.

Met dit dagboek doet Rob van Essen verslag van de laatste fase van zoektocht die iedere zoon naar zijn vader onderneemt. Daarmee verschaft hij zich wèl de karakterdiepte die hij bij zijn vader niet bespeuren kon. Niet voor zijn kinderen, want die had hij niet bij het schrijven van dit dagboek. Wel stelt hij op een zeker moment met spijt vast dat hij veertig jaar is, ongehuwd en kinderloos. Of het blijven hangen in de zoon-rol een indirect verwijt aan zijn vader is, komt de lezer niet te weten.

Verschenen in Liter najaar 2006

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Recensies

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s